zurück 1.12.1886, Mittwoch ID: 188612015

Besprechung der Amsterdamer Aufführung der 7. Symphonie durch Moritz Hagemann in der Zeitschrift Caecilia” Nr. 23 auf S. 235f:
"     De vele en ernstige repetitiën die gehouden waren, deden eene goede uitvoering van het 97ste Caeciliaconcert verwachten, en deze verwachting is niet beschaamd geworden.
     Het publiek had zeker in grooter getale kunnen opkomen (onder de toonkunstenaren bemerkte ik de heeren Hol, Appy, Röntgen en Tibbe), maar de aanwezigen luisterden met groote belangstelling en schenen zeer ingenomen met de reproductie. De symphonie van Bruckner is een hoogst interessante, in Wagner-stijl geschrevene compositie. Nu zal zeker de Red. van dit blad niet verlangen en tot conditie stellen, dat ik mijn verslag schrijf van het standpunt van een Wagneriaan, zoo als een zeker redacteur van mijn kennis; maar zij zou toch zeker mijne opinie niet deelen, wanneer ik mij over de Wagner-richting uitliet zoo als een onzer bekende toonkunstenaars in Leipzig, die mij eenmaal woordelijk schreef: . . . .  „en overtuigd [... ausführliches Zitat ...]."
     Doch, — om op Bruckner terug te komen, — als mijn geheugen mij niet bedriegt is reeds vroeger, op een Apollo-concert, eene symphonie van dien comp. uitgevoerd.
     Het voorwoord van den heer de Lange is niet onbelangrijk en ook daaruit is eene groote leering te trekken. Dat Wagner in Bruckner een waar kunstbroeder heeft ontdekt, zal niemand verwonderen, die gisteren de uitvoering bijwoonde van zijne 7de symphonie; zelfs al ware die ge-enrageerde, altijd terugkeerende cis van den eersten hoorn in de 2de Afdeeling weggebleven. Wist ik nu maar wat dat helsche oogenblik voor moet stellen; maar wat heeft men aan programma-muziek zonder programma, want dat ze daaronder ressorteert, geloof ik toch wel.
     De bouw, de bewerking, de imitatie, de omkeering van het thema 7 (waarop de heer de Lange niet heeft gewezen), de grootsche aanleg, de instrumentatie, dat alles heb ik bewonderd, maar maakt op mij niet den indruk van door inspiratie te zijn voortgebracht, eerder door eene pen, meer door de wetenschap dan door het gemoed bestuurd. Het schijnt mij toe eene analyse van gecombineerde theoretische vraagstukken te zijn, met een groot meesterschap over het materiaal geschreven en hier en daar met een climax ontwikkeld die aan Berlioz' instrumentatie-leer doet denken.
     Dat er nog jaren zullen voorbij gaan alvorens deze symphonie die van Mozart, Beethoven, Schubert en Brahms zullen doen vergeten, dat houd ik voor zeker.
     De uitvoering was voortreffelijk en de directeur doordrongen van alle te releveeren schoone momenten.
     De symphonische dichting „Tasso" van Liszt was voor het publiek geen noviteit. Reeds onder den heer Bunten moet dit werk uitgevoerd zijn.
     Het behoort onder dezelfde categorie als het voorgaande , maar men bemerkt er uit, dat Liszt nooit zoo als Bruckner (volgens Dr. Th. Helm) van 24 florijnen per jaar heeft moeten leven.
     [...]
                         MAURICE HAGEMAN.".


Zitierhinweis:

Franz Scheder, Anton Bruckner Chronologie Datenbank, Eintrag Nr.: 188612015, URL: www.bruckner-online.at/ABCD-188612015
letzte Änderung: Feb 02, 2023, 11:11